Toen in 1970 de plannen voor een fusie van Ruien, Berchem, Kwaremont en Zulzeke een concrete vorm aannamen, werden de inwoners meteen geconfronteerd met een prangend probleem: het kind moest een naam krijgen. Het Kwaremont van Gies Cosyns wilde maar wat graag met de eer gaan lopen, en Zulzeke was bereid hierin mee te gaan. Voor Berchem lagen de namen van de buurgemeenten echter moeilijk. En dan vooral de naam Ruien, waar ze die hele fusie overigens maar niks vonden. Naast het droge Berchem-Ruien doken er een aantal fantasierijke compromisvoorstellen op, zoals Bergendal, Quadramonte en – mijn persoonlijke favoriet – Vierbergen.
De discussies laaiden hoog op. In de aanloop naar de fusie circuleerde er een anoniem, gestencild document(1) in de gemeente met daarin een vurig pleidooi voor Berchem als naam voor de fusie. Vooraleer hier wat dieper op in te gaan willen we de volledige tekst van dit document graag met u delen.
Pleidooi voor Berchem als naam van de fusiegemeente op 1/1/1970
Het zou, onzes inziens, getuigen van verregaande historische onkunde en tevens van diskriminatie tegenover het gemeentebestuur en de inwoners van Berchem indien bij een fusie voor een bepaald gebied in dit gewest, de naam Ruien voorrang moest krijgen.
Het is niet omdat een bepaalde gemeente bij toeval – door de bouw van een elektrische centrale – grotere financiële inkomsten krijgt, dat men een loopje zou nemen met de historiek van de streek. Nu vooral dat men van langsommeer belang gaat hechten aan de historische achtergronden van de gemeente en stede. Het zou immers niet opgaan deze achtergronden gewoon weg te vegen en het ontstaan en de groei van een gemeente of een gebied, eenvoudig over het hoofd te zien bij dergelijke omstandigheden. We zijn ervan overtuigd dat dit in geen goeie aarde zou vallen bij de historici in deze provincie en bij de inwoners van Berchem zelf.
Geen mens kan het immers betwisten dan Berchem het centrum is geweest gedurende vele eeuwen van het betrokken gebied. Gedurende eeuwen waarop de naam Ruien zelfs nog niet bestond. Het grondgebied dat men nu Ruien noemt en vroeger “Ter Ruwen, later Ruyen” behoorde immers volledig tot het Berchem van die tijd, en het is vermoedelijk slechts nadat een familie Ter Ruwen of De la Rue dat stukje als leengoed kreeg dat de naam overgenomen werd. Maar ook nadat dit gebeurde bleef Ruien een gehucht, een wijk van Berchem zoals ik hierbij zal aantonen. Voorheen behoorde het gebied Ruien tot de heerlijkheid van “min heere van Jemont Drossart van Henegauwe”. In hetzelfde schepenboek waaruit ik dat heb gehaald staat verder vermeld: “een half buender ende 65 roedes ofte daeromtrent ligghende inde prochie Berchem geseyt te Ruwe”. Dat was een boek uit 1507.
Om één en ander te bewijzen echter citeren wij enkele punten uit de geschiedenis van Berchem die wij over relatief korte tijd hopen te publiceren. We zullen niet alle bronnen volledig aanduiden omdat wij vanzelfsprekend de primeur daarvoor voorbehouden voor deze publicatie.
In het jaar 989, dus ongeveer 1000 jaar geleden (Berchem bestond toen zonder enige twijfel reeds vrij lang, vonden we volgende tekst: “Quidae Rotbertus quidquid habuit in Berchim”. Het gaat over zekere eigendom die een zekere Rotbertus had in Berchem. Dat het over Berchem bij Oudenaarde gaat, zijn we absoluut zeker, en kunnen wij bewijzen!
In het jaar 1040. In dit jaar vonden we volgende tekst: “item terram in Berchij quam Alvarach dedit” Sprake dus van een gift van Alvarach uit het gebied van Berchem.
1177. In dit jaar is er sprake van Altaria de Bernis (Bernis – Latijnse- en Berne – Franse benaming van Berchem); dit in verband met de oorsprong van de gemeente, die hier van minder belang is.
“Alteria de Bernis com capella de Quadremonte », laatstgenoemde gemeente hing dus kerkelijk af van Berchem. In die tijd was er nog geen sprake van Ruien of ter Ruwen. Die naam hebben wij in ieder geval in die periode nergens gevonden, ook andere historici niet.
Pastoor Slosse (omstreeks de jaren 1900) schrijft in zijn “Rond Kortrijk” (archief Kortrijk) na grondige opsporing van de oudste historie “wij liggen met het achterdenken dat Waermaerde in de XII° eeuw uit Kerkhove getrokken, eens op oude tijden zal afgehangen hebben van Berchem. St.-Thierry (dat is de abdij die eigenaar van Berchem en andere gemeenten was in de streek) zal daaruit getrokken hebben Quaeremont en Ruyen op de overzijde van de Schelde en de Kerk-hove met Waermaerde op dees zijde” enz… Pastoor Slosse ging dus nog verder; niet alleen Quaeremont en Ruyen, maar ook Waermaerde en Kerkhove zouden uit Berchem voortkomen.
Verder beschikken wij over een lange reeks bewijzen van het bestaan van Berchem in de 12de eeuw. Maar het lijkt ons nutteloos en overbodig die nog verder voor te leggen, gezien we over veel oudere beschikken. Sanderus vermeldt in zijn Flandria Illustrata geen enkele keer Ruien. Omdat hij niet sprak over de gehuchten, maar wel over de gemeenten. Alleen nog dit: In 1119 laat bisschop Lambrecht van Noyon-Doornik weten aan abt Gaufridus en zijn monniken dat hij hun op verzoek van de aardsbisschop van Reims, de kerk van Kerkhove met een kapel van Waarmaarde en de kerk van Wortegem afstaat, onder voorbehoud van de synodale rechten, de kerkelijke rechtspraak en de geestelijke investituur van de pastoors van deze parochies. In hetzelfde jaar krijgt St.-Thierry (St.-Diederiksabdij) van bisschop Burchard van Kamerijk, de kerk van Berchem bij Oudenaarde met haar afhankelijkheden Kwaremont en Grijkoord. Als men weet wat een kerk” betekende in die tijd, weet men bepaald goed dat beide gebieden Kwaremont en Grijkoord volledig van Berchem afhingen. Van Ruyen is dan geen sprake.
Dit voor wat betreft het oude bestaan van Berchem.
Vanaf het moment dat er sprake is van Ruien, ter Ruwen, Ruyen, enz… blijft dit getekend als een afhankelijkheid van Berchem; letterlijk als gehucht of wijk.
We laten enkele voorbeelden volgen, bvb 1578: “de heere van Manny d’Aubermont ditter ter cauwen van zijnder heerlijkheid die hij heeft ligghende inde prochie van Berchem, geheeten de heerlichede te Ruwen”. Verder : « relief du fief de Ter Ruwen à Berchem, dépendant de la Cour féodale de Berchem » … « van heure heerlichcyt ende leenhove van Berchem… negnen bunder gheheten thof ter Ruwen ligghende ter Ruwen binnen de voornoemde prochie van Berchem. Dan verder honderden keren volgende tekst “heeft syn huys stede ende erfve soo deselve met vijfentwintich opgaende boomen ghestaen ende geleghen binnen de prochie van Berchem – sprake van heerlijkheid van Ruien.
Over een molen die staende es binnen de prochye van Berchem opde heerlyckheut van Quarmont ende Ruien. (Hier wordt Kwaremont er nog bij genoemd)
Nog altijd in de 18de eeuw bvb 1731: Pierre de viscomte de Berges, heere van Ruwen in Berchem.
De Ghellinck schrijft in zijn Inventaris de Ghellinck: “Ruyen était anciennement territoire de Berchem et fut érigé en commune séparée qu’en commencement du XIXe siècle »
Intussen weet iedereen in de streek wel wanneer Ruien kerkelijk en later gemeentelijk afgescheiden werd. Dat heeft nu geen belang. Het is in ieder geval een vaststaand feit dat Ruien in de historie, een gehucht is geweest van Berchem zoals Grijkoord een Meerssche enz… Alleen het feit dat de mensen van die wijk in de tijd van overstromingen enz. niet gemakkelijk naar de kerk van Berchem konden komen en een eigen kerk eisten (18de eeuw) is de oorsprong van de afscheiding van Ruien uit Berchem. Ruien bleef afhankelijk van Berchem tot er een eigen pastoor kwam en later een eigen gemeentebestuur. Het is alleen maar in de periode van de Franse bezetting (tot 1814) dat Berchem officieel niet de naam kreeg waarop het recht had. Berchem werd toen immers gevoegd bij de gemeenten die behoorden tot “le canton de Quaremont”. Maar zelfs in die periode bleef Berchem de zetel van dit kanton. Het bestuur van het kanton Quaremont bleef te Berchem en alle officiële brieven werden te Berchem getekend.
Het zou dus een historische en grove fout zijn, de groep gemeenten die voor de fusie in samenwerking komen, de naam Ruien te geven, die de jongste is in de historie van het gewest. Alle andere zijn veel ouder. En wij geloven vast dat daarop van diverse zijden zou gereageerd worden. Men kan desnoods een nieuwe naam uitvinden zoals gebeurde te Roosdal bij Ninove voor een aantal gemeenten. Maar historisch konsekwent zou men het kompleks waarover het nu gaat Berchem moeten noemen, want dit was het centrum in veel eeuwen, en bovendien bestuurlijk, kerkelijk en burgerlijk, hoofd van Kwaremont en in hoge mate Ruien, dat een eenvoudige wijk of gehucht van Berchem was. Alle teksten die werden aangehaald komen uit de archieven en er zijn er nog vele andere, meerdere honderden waarover ik beschik.
herkomst
Wie de auteur was van dit pleidooi is onzeker. Kluisbergenaar André Vanhoutte, die goed thuis is in het reilen en zeilen binnen de gemeente, schuift drie kandidaten naar voor.
Toenmalig burgemeester Robert Van Den Daele liep voorop in de strijd om een prominente plaats voor Berchem binnen de nieuwe fusie. Als hij de tekst al niet zelf geschreven heeft, kan hij zeker een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en de verspreiding van het pamflet.
Het activistische en ietwat hoogdravende karakter van de tekst past dan weer goed bij iemand als Gaston Debusschere. Inderdaad, de man die verantwoordelijk was voor de herschikking van onze vermeende megalieten Peetje en Meetje, zal zeker een uitgesproken mening gehad hebben over deze kwestie. En zijn passie voor geschiedenis kan hem geïnspireerd hebben om het nodige onderzoek te doen naar passende historische argumenten.
Tot slot schuift André ook de naam van oud-notaris Frans Ghys naar voor als mogelijke auteur. Bij Erfdeel Kluisbergen hebben we echter iemand anders in het vizier. De schrijver verwijst naar een “geschiedenis van Berchem die wij over relatief korte tijd hopen te publiceren”. De enige persoon die ooit een dergelijke publicatie heeft gerealiseerd is Berten De Keyzer. Geen Berchemnaar dus, maar een Gentse journalist en organist die zich op verzoek van burgemeester Van Den Daele op de geschiedenis van Berchem heeft gestort. Dat deed hij met zoveel toewijding en ijver dat het eind jaren zeventig leidde tot de uitgave van een forse monografie in twee delen: “De lange weg naar Kluisbergen”, nog altijd de belangrijkste referentie voor iedereen die met de geschiedenis van onze gemeente bezig is.(2)
De tekst is duidelijk gebaseerd op grondig historisch bronnenonderzoek, en de auteur doet in elk geval uitschijnen dat hij dit onderzoek zelf heeft verricht en dat hij de archiefstukken en publicaties zelf onder ogen heeft gehad. Er zijn ook stilistische overeenkomsten. Net als de auteur van het pamflet bedient De Keyzer zich weleens van de progressieve spelling. In het voorwoord van zijn “Lange weg” zien we woorden als biezonder, konkluzies, respektievelijk… Niet ongewoon natuurlijk in de jaren zeventig, maar toch… Ook inhoudelijk zijn er parallellen te trekken. Zo refereert de auteur net als De Keyzer naar hetzelfde citaat van Pastoor Slosse. Alles wijst dus in de richting van Berten De Keyzer, die de tekst misschien in opdracht van burgemeester Van Den Daele heeft geschreven.
enkele slotbedenkingen
Het pleidooi van 1970 komt 56 jaar na datum aandoenlijk over en de verleiding is groot om er wat lacherig over te doen. Recente voorbeelden uit eigen streek en uit gemeenten als Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht illustreren echter dat het idee van een nakende fusie en alles wat erbij komt kijken nog altijd heel wat emoties kan losmaken bij de betrokken inwoners. Dat ze bij de Berchemse factie in 1970 zo diep de geschiedenis zijn ingedoken om hun zaak te verdedigen is dus niet verwonderlijk.
Er valt zeker iets te zeggen voor de argumenten in het pleidooi. Berchem kan bogen op een lange geschiedenis en, misschien wel het belangrijkste, er moet al in de 12de eeuw een kerk gestaan hebben. Toch moeten we ervoor waken om onze hedendaagse ideeën over bestuurlijke indeling niet te projecteren op het verleden. Wij zijn gewend aan een opdeling van het land in gemeenten met duidelijk afgebakende grenzen en één democratisch verkozen gemeentebestuur. In het ancien régime echter was de geografie ondergeschikt aan een complex, voor ons vaak onoverzichtelijk kluwen van heerlijke rechten en feodale plichten. Om het nog ingewikkelder te maken kwam daar ook nog de kerkelijke indeling in parochies, dekenaten en bisdommen bovenop. We moeten dus goed voor ogen houden dat een heerlijkheid niet hetzelfde was als een dorp, dat een dorp niet hetzelfde was als een parochie, dat steden anders functioneerden dan het platteland, en dat gemeenten zoals wij die kennen simpelweg nog niet bestonden. Inzichten waar de auteur van ons pamflet zich in zijn ijver niet overdreven veel van heeft aangetrokken…
De gespannen verhouding tussen Ruien en Berchem is eeuwenoud, getuige daarvan de bewogen bouwgeschiedenis van de kerk van Ruien.(3) In de twintigste eeuw werd de rivaliteit nog verder gevoed door politieke en economische verschillen. Dat de gemeentefusie er toch is gekomen, en dan nog zo vroeg in vergelijking met andere Vlaamse gemeenten, mag dan ook een succes heten.(4) Wat de naam betreft koos men onder impuls van parlementslid Jan Verroken voor het compromis. Dan maar gewoon… Kluisbergen!
Na meer dan een halve eeuw fusie zijn de vier deelgemeenten nog altijd fier op hun identiteit, maar de frisse blik van de jongere generaties en de gestage instroom van nieuwkomers bieden steeds meer kansen voor verbinding…
Bert Dekimpe
met dank aan Pieter-Jan Vanhaesebrouck, Peter Martens, Marc De Donder en André Vanhoutte
(1) Archief Erfdeel Kluisbergen (uit de nalatenschap van Jan Van Marcke)
(2) De Keyzer, Berten. De lange weg naar Kluisbergen. 2 dln. Sint-Martens-Latem, 1978-1979.
(3) Dekimpe, Bert. “Klakken op de vensterbank: 300 jaar Sint-Corneliuskerk te Ruien.3 In: Erfdeel Kluisbergen, I (2013) 11-23.
(4) Meer over de totstandkoming van de fusie in:
Desimpel, Emile. “Het fusieverhaal van Kluisbergen (1970-1976): verloop en lokale politieke verankering. In: Erfdeel Kluisbergen, I (2018) 3-40.
