Opstelletjes uit een vervlogen tijd

In een vorige bijdrage maakten we kennis met Suzanne Vanderstraeten en haar merkwaardige familiegeschiedenis.

Suzanne gaf ons inzage in een paar van haar oude schoolschriftjes, die dateren uit de tijd dat ze een jaar of 12, 13 was. De schriftjes bevatten een paar opstelletjes, die op een aandoenlijke wijze inzicht geven in het dagelijks leven van de jaren veertig. We willen u deze tijdsdocumenten niet onthouden.

Een eerste opstel draagt als titel “Op het ijs” en roept een beeld op van ouderwetse, strenge winters, met dichtgevroren rivieren en vijvers…

Op het ijs

’t Was verlof! Het vroos dat het kraakte, maar het was toch een prachtig zonneweer. Na den eersten nacht vorst waren wij verlangend om reeds op het ijs te gaan. We vertrokken naar de overstroomde weide van boer Declercq, indien wij door het ijs schoten, dan konden wij toch niet verdrinken.

Toen wij den ijsspiegel in het oog kregen, was het “om-ter-eerst”. Het zag er zo glad uit! Zou het sterk genoeg zijn ? Wij moesten het onderzoeken. Rosa, een durver, zei: “Houd mijn hand goed vast, en laat mij niet los.” Voorzichtig ging zij op het ijs, werd stouter en stouter, stampte al eens, ja, het was sterk genoeg, wij allen er op, de ene na de andere.

Hier viel er één, daar tuimelde een tweede, of er gelachen werd! Wij beproefden baantjes te trekken, in den beginne ging dit niet goed; maar weldra waren wij aan de gladdigheid van ’t ijs gewoon. Wij hadden oprecht veel plezier. Waren wij gebleven waar wij waren alles zou goed afgelopen zijn. Maar! … Wij moesten ons toch ook eens op andere toegevrozen plaatsen der weide voegen. Ik was zo dwaas, zonder onderzoek, maar een nieuw plaatsje te kiezen. Ik was nauwelijks vijf meter ver op het ijs, het kraakte wat. “Hé! Dat is niets!” zei ik bij mezelf. Dus nog wat verder, en paf! Het ijs sloeg in, en ik schoot tot boven mijn knieën in het koude water. Algemeen gelach van mijn maatjes en ik lachte mee; maar ’t was een groene lach. In één, twee, drie was ik eruit en naar huis! Omzichtig ging ik binnen zonder aan moeder te zeggen wat voorgevallen was, want ik vreesde een ferme straf te krijgen. Mijn manieren verraadden mij, moeder bekeek mij van kop tot teen. Wat is dat? Riep ze uit. ‘k Vertelde mijn dwaze [onleesbaar]. Ze bekeek mij een weinig en gaf mij een paar droge kousen.

Goed afgelopen nietwaar?

Naast natte kousen houdt Suzanne er een opmerking van de juf aan over: “Te klein geschreven!”. Een aanmerking die meer te maken heeft met de ogen van de Zuster dan met de kwaliteit van het handschrift, waar niets mis mee is.

Het incident moet op Suzanne een grote indruk gemaakt hebben, want er staat ook een kortere, alternatieve versie van het verhaal in de schriftjes:

O, wat ben ik blij als het Winter is! We gaan met velen glijden op het ijs. We maken een glad baantje en dan valt er hier ene, een andere tuimelt daar, nog een andere ginder en we hebben dan toch zoo’n plezier. Ik ging verder en maakte nog een goede ijsbaan, nog verder maakte ik er nog één. Maar ik wilde een derde maken en het kraakte ik zei nog wat verder dat kan niets doen ‘k zal maar gaan. Maar de onvoorzichtige Suzanne zakte er in tot boven de knieën. Rap er uit hoor! Want dat water had niet warm en ik trok gauw naar huis met natte voeten. Als ik thuis kwam keek mijn moeder mij aan en zeide: Wat hebt gij nu gedaan? Ik keek beschaamd naar mijn moeder en zeide: Moeder ik heb als een kampioen op het ijs willen trekken en met onvoorzichtigheid zakte ik erin, maar ik beloof u nooit nog op het ijs te gaan zonder uw toelating. Moeder gaf mij goede wollen kousen en pantoffels want ik beefde van de kou. Dat was een goede les voor mij en het wilde ook zeggen voor de kinderen “Wees voorzichtig op het ijs.”

Met deze keer een “Zeer wel” erbij…

Tijdens een schoolreis naar zee is Suzanne zo onder de indruk van de natuurpracht (en van de jonge vissers?) dat ze er poëtisch van wordt.

Onze reis naar de Zeekust

O, wat hebben we naar die schone wandelingsdag verlangt. Die leerrijke wandeling naar de Zeekant. Op 30 mei te 7 uur 30 stapten we in den autobus. Vrrrt, ons kruis gemaakt en we waren weg. Te Kortrijk gekomen wandelden we in het Groeningheplein en gingen het standbeeld der Gulden Sporen bezichtigen. Weer in het rijtuig tot Wenduine. O, wacht even k’heb vergeten, we hebben eerst Snellegem voorbijgereden. Wat we daar zagen, al snelle paarden en koeien. Te Wenduine afgestapt gingen we in het klooster binnen en legden vlug pak en zak op een stoel. En met onzen handdoek trokken we naar de zee. Rap ons kousen en schoenen uit en in het zeewater. Maar dat is plezierig. Terug in het klooster kregen we goede soep en daar hebben we smakelijk geëten. S’namiddags om een zeker uur vertrokken we naar Blankenberge. We kwamen aan de zee, wiegende golven kwamen zacht in het poerdroge zand uitlopen. Ik keek in de verte, en zag een lichtgrijze mist boven de golven hangen. De lucht was helder en hemelsblauw. De mooie prachtige witte zeemeeuwen zweefden boven de zee die den almachtige en goede God geschapen heeft. De duinen lagen daar voor mij in hun grootse natuurpracht en vele zandheuveltjes waren er zichtbaar.

Nog wat in het zand gespeeld en dan naar Zeebrugge. Daar zagen we vissers die hun netten herstelden. We zagen ook een jonge sterke vissersjongen en de vismijn waar ze de vis die ze gevangen hebben, verkochten. We hebben daar ook visserssloepen gezien en schone blinkende vissersboten die al dat geld kosten. O, ‘k heb nog al meer gezien, maar ’t is zoo veel om te schrijven.

Als we alles goed gezien hadden gingen we in een herberg en we hebben daar geëten en gedronken. Daarna stapten we in den autobus en terug naar huis. Als we thuis kwamen vertelden we alles wat we gezien hadden en moeder was toch zo blij omdat we veel plezier beleefd hadden.

Wat een leerrijke wandeling.

Suzanne mocht dan de dochter van een notoir vrijdenker zijn, in 1947 liet ze zich toch inspireren door een kerkbezoek…

Het bezoek van den vermaarden Pater Arts, S.J.

Op zondag 23 februari was Pater Arts naar Kaster gekomen. Waarom? Om ons wakker te schudden uit onzen winterslaap. Koud was het, sneeuw en ijs. Wij trokken met blij hart naar de hoogmis, want Eerwaarde Pater zou ze uitleggen van op de preekstoel. Wij luisterden met aandacht naar alles wat de Pater ons voorhield. Hij begon met een zware stem. In de kerk heerste er grote stilte. De zuster zong het Introït. Aan de Kyrie zei de Pater “Heer, ontferm u onzer” en hij zong mee met ons. Dan volgde het Epistel of brief van den H. Paulus aan de christenen van zijn tijd. Die bevatte een vermaning tot boete voor de zonden, immers wij zijn de eersten Zondag van den vasten. Dan volgde het Evangelie. Een gebeurtenis uit het leven van Jezus. Dan volgde de preek. Een kort woordje aanwakkering om den vasten goed door te brengen. H. Mis bijwonen, kinders zenden om een H. Hostie te halen die ze in huis brengen samen met Gods zegen. Een tientje van den paternoster bidden iederen avond. Nu volgt de geloofsbelijdenis “Credo”. Nu de eigenlijke Mis, de Offerande. De priester offert brood en wijn. En nu de Prefatie of dankgebed. De Consecratie. Hier houdt God zelf de handen vast van den priester, en heft de heilige Hostie ter aanbidding. Nu bidt onze geestelijke vader het gebed voor het eten “Pater noster”. Vervolgt nu de Nutting. Hier mogen we Jezus ontvangen in ons hartje. Hem innig beminnen… Een korte dankzegging. De zegen van den priester. Gods zegen. En de Mis is gedaan. Diep bewogen en met koude voeten, maar warm hartje trokken we huiswaarts.

Het bezoek van de vermaarde Jezuïet pater Arts – we konden hem niet identificeren – heeft duidelijk geen grote literatuur opgeleverd, maar de onderwijzeres vond deze opsomming van de onderdelen van de eucharistie andermaal “zeer wel”.

We danken Suzanne hartelijk om de schriftjes met ons te delen. Ben je zelf ook in het bezit van interessante tijdsdocumenten of bijzondere oude foto’s? Laat ze dan niet verloren gaan, maar neem contact op via erfgoed@kluisbergen.be.