In dit artikel willen we even de schijnwerpers richten op een bijzondere inwoonster van onze gemeente. Suzanne Vanderstraeten, Suuske voor de vrienden, bijna 92 jaar en nog altijd kwiek, heeft een wel heel merkwaardige familiale achtergrond.

Kort na de Tweede Wereldoorlog werkte ze als dienstmeid in de villa van de familie De Waele in de Parklaan, die we nu kennen als het gemeentehuis. Later werkte ze voor de familie d’Huyvetter en trouwde ze met meubelmaker André Delbecque, met wie ze drie zonen en een dochter kreeg. Maar eigenlijk is ze afkomstig uit Elsegem, waar ze op 3 december 1933 werd geboren als Wilhelmina Juliana Suzanne Vanderstraeten.
Die Hollands aandoende officiële voornaam is geen toeval. Het was tijdens de regering van koningin Wilhelmina, in 1898, dat vader Valentijn Vanderstraeten zich meldde als vrijwilliger bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, kortweg het KNIL. Dat was niet zo ongewoon als het misschien lijkt: de geschiedenis lijkt deze mannen een beetje vergeten te zijn, maar uit onderzoek van Jaak-Henri Poortman blijkt dat er in een periode van 115 jaar meer dan 24.000 Belgen (vooral Vlamingen) in het KNIL hebben gediend.

Uitgekeken op het harde labeur in een Franse boerderij en onder invloed van een aanlokkelijke affiche liet de negentienjarige Valentijn zich verleiden om dienst te nemen en ‘naar den Oost’ te trekken, zoals dat heette. Zeer tegen de zin van zijn moeder trouwens. Hij moest nog dreigen al hun geiten de nek om te draaien om haar het toestemmingsdocument te laten tekenen.
De volgende dertien jaar in Nederlands Indië waren voor Valentijn een periode van avontuur, geweld en nieuwe vriendschappen, maar ook van desillusie. In een interview met Vooruit in 1956 vertelt hij daarover: “Wat wij brachten was geen beschaving, maar uitbuiting. Wij waren slechts de gewapende vuisten van het kapitalisme … Beschaving? Neen! Moord, diefstal, brandstichting! Wat hadden wij trouwens te beschaven? Het volk op Java en Sumatra was zachtmoedig, vredelievend, goed. Zeker, het had ook gebreken… maar minder erge dan de blanken.”
Valentijn keerde uit Indonesië terug als postkolonialist avant la lettre, als socialist en als vrijdenker. Dat laatste bracht hem onvermijdelijk in conflict met de katholieke goegemeente in zijn woonplaats Elsegem, waar hij met zijn jonge echtgenote Maria Van Parijs een kroostrijk gezin stichtte met negen kinderen. Tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog was het bepaald geen evidentie om dat kroost voldoende te eten te geven, temeer daar de plaatselijke boeren niet stonden te springen om de vrijzinnige vader van negen ongedoopte kinderen te hulp te schieten. Er zat maar één ding op: die kinderen moesten dan toch maar gedoopt worden. Na de nodige discussies met Pastoor De Bouverie werd op Kerstdag 1940 een groepsdoop georganiseerd in de St.-Mauruskerk van Elsegem. Inderhaast werden negen peter- en meterparen gemobiliseerd, waaronder burgemeester Declercq zelf.

En zo kwam het dat Suzanne en haar broers en zussen het Heilig Doopsel ondergingen, enkel en alleen om de zo noodzakelijke noodhulp te kunnen krijgen.
Van Suzanne kregen we ook nog inzage in haar oude schoolschriftjes, waar enkele aandoenlijke opstelletjes in staan die we graag met jullie delen. Maar dat is voor een volgende keer…
Bronnen:
[s.n.]. “Mechelse afdeling van Familiekunde bewaart vergeten geschiedenis”. Gazet van Antwerpen, 21 januari 2019, 16.
[s.n.]. “Valentijn Vanderstraeten vertelt over zijn belevenissen als soldaat van het Nederlands-Indisch leger”. Vooruit, 8 april 1956, 6.
Vanderstraeten, Wilhelmina. “Een ongewone doop, op een Witte Kerst in 1940”. Maandblad Kluisbergen, 404 (2006) 9.
