Joséphine

Als je een wegenkaart van België bekijkt, zie je dat Berchem in twee richtingen doorsneden wordt door de N36 (N-Z-as) en de N8 (O-W-as). En dit is al eeuwen zo! Wie al eens oude, historische kaarten bestudeerde uit de 18de en 19de eeuw – of zelfs vroeger, zal ongetwijfeld opgemerkt hebben dat de historische dorpskern van Berchem ‘gekruist’ wordt door een brede baan tussen Kerkhove en Ronse en een heirweg tussen Oudenaarde en Doornik. Dit waren steenwegen: geplaveide straten in ‘kalsijde’. Het tracé tussen de kerk en Kerkhove – de Hoogweg of ‘den Hûwig’ – is er pas gekomen rond 1850 na de plaatsing van een vaste Scheldebrug. De rest van het dorp bestond uit een dicht netwerk van brede en smallere, verharde en onverharde ‘chemins’ voor paard en kar en met verbindingswegels voor voetgangers (al dan niet vergezeld van een kortewagen of een hondenspan) en fietsers. Pas vanaf de tweede industriële revolutie met de aanleg van Spoorlijn 85 tussen Oudenaarde en Herseaux (1881-1890) en de bouw in 1912 van La Moderne – een fabriek voor textielveredeling – kwamen er echte wegen.

Aan het gemeentehuis te Berchem hing in 1836 de eerste postbrievenbus. Pas in 1860 kreeg ons dorp een eigen postdistributiekantoor, vermoedelijk was dit ondergebracht in het gebouw aan de huidige Stationsstraat 19-21. Omstreeks 1906-1907 werd er een filiaal van de Regie voor Telegraaf en Telefoon (R.T.T.) aan toegevoegd. Op een oude postkaart van nét vóór WO1, afgestempeld in 1913, zie je aan de gevels en in de straten lelijke, ijzeren en houten constructies verschijnen. Deze waren bedoeld voor de bedrading voor de telefoon en telegraaf. In 1920 waren er AL 15 abonnees met een eigen telefoonaansluiting! Een tweede functie van de ijzeren en houten gedrochten was bedoeld voor de elektrische voorziening voor de straatverlichting, ‘drijfkracht’ bij de lokale industrie en een ‘mono-fazé’ voor de particuliere, huishoudelijke noden. Den ‘elentriek’ kwam van de elektriciteitscentrale te Zwevegem die in oktober 1913 operationeel werd. De cabine te Berchem was zeker al vóór 1914 in dienst.

Aan het begin van de 20ste eeuw kreeg de uitvinding van de fotografie een toepassing in het maken van postkaarten. Als je de allereerste exemplaren uit de dorpskern gaat bekijken, zal je opmerken dat in die geplaveide hoofdstraten (Capellestraat, Meulestraat en Statiestraat) reeds straatverlichting bestond bij middel van gaslampen. Deze werden bij valavond aangestoken door de ‘tondelier’ en bij zonsopgang terug gedoofd. Maar waar kwam dat gas vandaan? Van Russisch aardgas uit Siberië was nog geen sprake, evenmin van butaan of propaan in flessen en onder de Belgische aardkorst waren nog geen gasvelden ontgonnen. Eind 18e, begin 19de eeuw wist een Schotse mijningenieur ‘gas’ uit steenkool te distilleren. Al in 1819 werd de eerste gasfabriek te Brussel ingehuldigd door Willem I, koning der Nederlanden, en de allereerste publieke gaslantaarn op het Muntplein werd aangestoken. Andere steden konden niet achterblijven. Gasfabrieken schoten als paddenstoelen uit de grond. Later volgden de fabrieken en de particuliere aansluitingen bij de rijkere burgerij waardoor kaarslicht, petroleum- en olielampen stilaan roerend erfgoed werden. Stille getuigen van dit industrieel erfgoed van (stads)gasfabrieken zijn bijvoorbeeld de Gasmeterlaan en het Tondelierpark te Gent maar ook de Gasmeterstraat te Ronse.

Hoe gaat zo een proces om gas uit steenkool te winnen in zijn werk? De distillatie gebeurt door het verhitten van steenkool in luchtdichte vaten (retorten) in een ovenkamer. Het vrijgekomen gas wordt via verticale buizen afgevoerd. Na het distilleren blijft van het steenkool het afvalproduct ‘cokes’ over dat nog steeds nuttig is voor andere toepassingen (zoals bijvoorbeeld asten). Het warme gas wordt door condensatie gekoeld en daarna volgt nog een chemische zuivering van kwalijke ammoniak- en zwavelverbindingen, wat toch een vereiste is voor de huishoudelijke toepassingen. Het gas wordt daarna opgeslagen in een gashouder, een soort van reservoir dat op en neer kan bewegen in functie van de hoeveelheid geproduceerd/resterend gas. De producent kon perfect de hoeveelheid gas inschatten of ‘meten’. Vandaar de term ‘gasmeter’, dat niets te maken heeft met de huidige analoge of digitale gastellers. Het begrip gasmeter is een leenwoord uit het Frans: ‘un gazomètre’, in plaats van een gashouder! Het ‘gestockeerde’ vloeibare gas in het cilindervormige ‘reservoir’ was perfect hermetisch van de buitenlucht gescheiden door een waterslot. Van hieruit werd het – via een buizenstelsel – verdeeld naar de gebruikers en de verbruikers.

In de Lange Weg naar Kluisbergen van Berten De Keyzer staat een vreemd zinnetje: “Op 17 november 1862 omstreeks 7 u in de ochtend ontstond brand in het klooster (te Berchem), volgens sommigen door gaz-uitwazemingen, …”. Zou het klooster toen al aangesloten zijn geweest op een gasfabriek? Enkele regels verder staat “… de zusters werden door het liberaal bestuur en een uitspraak van de rechtbank op 17 maart 1881 op straat gezet …”.

Heel recent kwam ik in het bezit van een 160 bladzijden tellend dossier van OVAM uit mei 2011. Hun onderzoek ging specifiek naar een voormalige gassite in het centrum te Berchem. In het dossier dook de naam op van ene Joséphine Blanquart. Deze dame werd geboren te Doornik ‘dans l’année V de la République Française’ (ca. 1796-1797) en stierf op 24 mei 1871 te Berchem, ze werd 74 jaar. Joséphine had op 25 januari 1865 een document opgesteld voor een vergunningsaanvraag om in haar tuin te Berchem een gasverlichtingsfabriek te vestigen. Blijkbaar was er zowat anderhalve eeuw geleden ook al vertraging bij de Vlaamse Administratie. Want pas in februari van het jaar daarop verklaart het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Berchem haar aanvraag ontvankelijk. Een paar dagen later is er ook een gunstig advies van de Commissaris van het Arrondissement Oudenaarde én van de hoofdingenieur van de Provincie Oost-Vlaanderen. Op 7 maart 1866 ontvangt Joséphine van de Bestendige Deputatie van die Provincieraad haar vergunning mét voorwaarden én regelgeving. Deze vergunning is geldig voor een duurtijd van 30 jaar. De gashouder wordt echter al in 1892 ontmanteld.

In het dossier van de vergunningsaanvraag staan enkele technische vereisten qua veiligheid, voor de te gebruiken materialen en met specificaties voor de installatie. De gas’fabriek’ mag maximum uit vier ovens met de retorten bestaan, elk met een lengte van 2m10 en een diameter van 0m30. Voor de gashouder (ook soms klok genoemd) wordt de diameter gelimiteerd tot 6m10 en een hoogte van 3m08 wat overeenkomt met een theoretische inhoud van circa 90 kubieke meter. Die exacte cijfers doen mijn wenkbrauwen toch even fronsen.

Helaas heb ik geen enkele kaart kunnen terugvinden waarop deze installatie te zien is; ook niet op de basiskaart van het Nationaal Geografisch Instituut uit 1873!? Door de kaarten en schetsen in het dossier van OVAM te deduceren en te extrapoleren op de huidige kaart in Google Maps, kan ik deze gashouder bijna perfect situeren: op het koertje en het tuintje van het huis in de Berchemstraat 37 en wat overlappend in een gebouwtje in de tuin van Nr 39. Zie de rode ring op de afbeelding hieronder. Aandachtige lezers van ons tijdschrift ‘Erfdeel Kluisbergen’, van onze gepubliceerde fotoboeken en de dappere burger die De Lange Weg naar Kluisbergen volledig heeft uitgelezen, zien direct dat die gasklok zich bevond op het zowat halve hectare grote domein van het voormalig hospitaalklooster. Zie gele kader op diezelfde afbeelding.

Wanneer dit Godtshuys opgericht en gesticht werd is nog een vraagteken. Berten De Keyzer vond een proces uit 1455 en plaatst dit hospice aan het begin van de 15e eeuw. In 1698 kwam het klooster in handen van de Congregatie der Apostolinnen van de Onbevlekte Ontvangenis. Bij de brand in 1862 werd het volledige klooster in de as gelegd, behalve het kwartier van de pensionaten en de kapel. Via lokale, nationale en internationale giften kon het klooster snel terug opgebouwd worden.

Maar wat heeft een gasfabriek nu te maken met die kloosterorde? Daarover staat jammer genoeg niets te lezen in de Lange Weg naar Kluisbergen. Ik probeer hieronder enkele denkpistes al dan niet te linken aan de gasproductie en het kloosterleven.

In de vergunning aan dame Joséphine Blanquart wordt in één simpel zinnetje ook verwezen naar een Koninklijk Besluit van 29 januari 1863 betreffende de politie der als gevaarlijk ongezond en hinderlijk ingedeelde inrichtingen.
[Met ‘politie’ wordt hier ‘beleid’ bedoeld]

Grosso modo regelde dit KB een wettelijk kader rond opslag van gevaarlijke producten in woonkernen al ging het (de overheid) louter om een administratieve regularisatie. Eigenaars van dergelijke depots moesten volgens dit KB een vergunning aanvragen, wat Joséphine pas in 1865 deed. Die erg precieze afmetingen van de installatie in het dossier laten alvast vermoeden dat de gasfabriek er al stond vóór 1865/1866. Maar of dat gas ook iets te maken had met de brand in 1862 kan ik toch niet aantonen noch bewijzen.

In de vergunningsaanvraag uit 1865 zit ook een vrij gedetailleerde schets met een Franstalige legende:

1. Gemeentelijke jongensschool
2. Woning van de onderwijzer
3. Loods of afdak
4. Gashouder
5. Gasfabriek
6. Wasserij en blekerij
7. Zondagsschool
8. Schuur
9. Stallingen
10. Bidkapel
11. Berging
12. Klaslokaal van de externe leerlingen
13. Spreekkamer
14. Kwartier van de zusters met hun verblijf
15. Kwartier van de internen
16. De ‘gemakken’ (toiletten)

In eenzelfde handschrift wordt in 6 regels de afmetingen van de gasinstallatie vermeld. Het plan is gesigneerd door Joséphine Blanquart in een duidelijk ander handschrift. Dus hieruit blijkt dat zij de tekening hierboven noch het vergunningsdossier zelf heeft opgemaakt …

In het namenregister van De Lange Weg naar Kluisbergen staat geen Joséphine Blanquart vermeld maar wel ene Theresia Blanquaert. Joséphine en Theresia zijn één en dezelfde persoon! De eerste is haar geboortenaam en de tweede … haar kloosternaam. Van 1846 wordt zuster Theresia overste in het klooster te Berchem en dit voor de volgende 20 jaar. Dat zij het document ondertekende met haar meisjesnaam bewijst het juridisch belang van die gasvergunning. In haar aanvraag wordt het werkwoord ‘établir’ gebruikt en niet ‘exploiter’ waardoor moeilijk te achterhalen is of de nonnetjes hun gas ook doorverkochten aan de rijke burgerij of voor de straatverlichting. Wie weet was het ‘gas’ wel een doorn in het oog van de politiek en dé hefboom om de zusters uit hun klooster te zetten?

Waar het archief van dit klooster zich bevindt is niet echt duidelijk. Of daarin ook nog iets te vinden zal zijn over de brand in 1862, over Moeder Thérèsia of over de gasfabriek … is maar de vraag. Navraag bij een ander klooster van deze congregatie leverde alvast niets concreets op. In de databank ODIS, waar KADOC (KULeuven) – Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving – dergelijke materie ontsluit, is online niet heel veel te vinden. Volgens de archivaris van het Bisdom Gent zijn de archieven van het ‘Moederhuis’ der Zusters Apostolinnen van Gent enkele jaren geleden overgedragen aan het bisdom en bevinden ze zich daar ongeordend in 31 archiefdozen. In dit archief zitten voornamelijk documenten van de verschillende vestigingen uit onze provincie die betrekking hebben op het beheer van goederen en eigendommen en dus NIET op de persoonlijke dossiers.

Al bij al, de rijke geschiedenis van een kloostergemeenschap op deze site te Berchem begon met een ingewikkeld proces over eigendomsrechten met baljuw Goessaert descanaffles in 1455 en eindigde eveneens voor de rechtbank in 1881. Waarover het geschil precies ging – tussen het liberaal bestuur onder burgemeester Jean Beghin en de kloosterlingen – is misschien voer voor een volgende studie?

BRONNEN (alfabetisch):

  • Bisdom Gent
  • De Lange Weg naar Kluisbergen, Berten De Keyzer – 1978 & 1979
  • De postgeschiedenis van Kluisbergen, Pierre De Keyser – 2000
  • Dossier OVAM – 2011
  • Eerdere opzoekingen en studies van Yves Lucaes
  • Erfgoedbank https://eva.mediahaven.com/portal/media – (beeldbank der Vlaamse Ardennen)
  • Google Maps
  • Het Rijksarchief – AGATHA
  • Historische kaarten: Villaret, Ferraris, Atlas der Buurtwegen, Popp + leggers, Vandermaelen, Carthesius, NGI, Michelin & Trage Wegen
  • INTERCOM – 75 jaar Centrale Zwevegem – (bundel uit de privébibliotheek van Willy Vanoverberghe)
  • ODIS
  • UGent
  • Wikipedia
  • WorldWideWeb

Met dank aan Emilie Verhaeghe voor de correcties en de eindredactie.

Auteur: Marc De Donder